Kaart met vier typen gebieden in de stad. Brede Bosche Binnenstad (1), Stedelijk buurten (2), Buitenringse gebieden (3) en landelijke gebieden (4). Fotograaf: Alfred Heeroma (uitsnede) - Bron: Gemeente
Op 1 januari 2024 werd de Omgevingswet van kracht. Door deze wet zijn vele processen die betrekking hebben op de omgeving samengevoegd en vele losse wetten en regels verbonden. Dit zou moeten leiden tot het vereenvoudigen van processen en tot een kwaliteitsverbetering. Over het succes hiervan wordt verschillend gedacht. Het doel is dat er een duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het bereiken van onderlinge samenhang. Wat de wet niet voorschrijft is hoe de leefomgeving moet worden ingericht of worden gebruikt, terwijl dat wel van belang is. Daarom is voorgeschreven dat alle gemeenten voor 1 januari 2027 een omgevingsvisie moeten hebben. Na een lange voorbereiding is er in Den Bosch een dergelijk document opgesteld.
Een omgevingsvisie is doorkijkje naar de toekomst of een stip op de horizon. Als ongeveer bekend is waar men naar toe wil, kan beleid en andere zaken hierop worden afgestemd, juist om dat stipje te benaderen. De laatste keer dat dit in Den Bosch is gebeurd, was in 2003.
Bij het maken van een doorkijk, of visie, naar de toekomst is het niet nodig om op nul te beginnen. De stad is er immers al en bepaalde zaken liggen ogenschijnlijk vast. Zo is er rondom de binnenstad veel water in de vorm van Dommel en de Aa en dat zal niet snel verdwijnen. Terwijl verder van de binnenstad af, bijvoorbeeld in Nuland en Vinkel er minder water is, maar meer sprake van zandgronden. Dat zijn fysieke gegevens en daar kan en moet men rekening mee houden.
Maar het zijn niet alleen die fysieke gegevens. In de stad wonen mensen en die kunnen keuzen maken die invloed hebben op een toekomst. Wat als men de Binnendieze wel volledig had gedempt of men niet had gekozen om het Bossche Broek en het Gement onderdeel te laten zijn van een groene corridor? De mens heeft invloed op die omgeving, maar de omgeving ook op de mens. Veel keuzen zijn al gemaakt en hoeven niet allemaal de prullenbak in bij het opstellen van een toekomstbeeld, maar kunnen er wel een onderdeel van zijn. Zo koos Den Bosch in het verleden ervoor om Agrifood Capital te zijn, maar ook een ICT-stad. Dat kan in een toekomstvisie best gecombineerd worden en daar kunnen nieuwe ideeën aan worden toegevoegd.
Wie keuzen maakt voor een lange termijn, maar niet flexibel is, kan ook zaken afstompen. Er zou nooit een Minitopia zijn gekomen als men niet bereid was tot een tijdelijke invulling op Meerendonk. Ook de Tramkade zou geen creatieve broedplaats zijn geworden, als men niet had gekozen voor een tijdelijk invulling.
Den Bosch ligt op een centrale plek, wat inhoud dat er een interactie (en verkeer) is met de omgeving. Anderzijds is de stad ook een plek van een regiofunctie, wat meebrengt dat in een stad meer faciliteiten aanwezig zijn dan in de kleinere omliggende dorpen. Dat vraagt een bepaalde rol, maar ook een verplichting voor een stad. Anderzijds is het wel van belang om een goede relatie te hebben met die omgeving. De dorpen mogen soms de stad nodig hebben, andersom kan het ook zijn dat de stad de dorpen nodig heeft. Dat zorgt ervoor dat een stad mensen moet kunnen ontvangen en soms tijdelijk een onderdak moet kunnen geven (toerisme). Ook is een stad beter in staat om grotere evenementen op gebied van sport en cultuur te organiseren, maar ook onderdak te bieden aan congressen (denk aan de Brabanthallen).
Dit kan positief bijdragen aan de economie van een stad, maar ook zorgen voor een culturele en kunstzinnige verrijking. Dan moet een stad daar wel ruimte voor bieden en dat moet naar voren komen in een omgevingsvisie.
Op andere zaken heeft een stad minder directe invloed bijvoorbeeld klimaatverandering, arbeidstekorten of andere tekorten (bijvoorbeeld gas of water). Dit kan echter wel invloed hebben op hoe een stad ingericht moet worden, bijvoorbeeld het omgaan met hoosbuien of maatregelen die zorgen dat zaken niet kunnen of worden vertraagd (denk aan bouwen van woningen en de stikstofproblemen). Dat vraagt niet alleen om aanpassing van de omgeving, maar ook op de manier waarop mensen hiermee omgaan, maar ook met elkaar. Zo treedt er steeds meer vergrijzing op en zijn er ook andere demografische verschuivingen. Dit kan ertoe leiden dat er anders naar de omgeving moet worden gekeken.
Al in 2018 is men in den Bosch begonnen met nadenken over een omgevingsvisie. Het is immers niet iets dat op de tekentafel in het Stadskantoor gemaakt kan worden, daar moeten bewoners en allerlei maatschappelijke instellingen en bedrijven bij betrokken worden. Dat betekent veel informatie ophalen, verwerken en wederom toetsen. Aanvankelijk werd deze informatie in een Koersdocument gepresenteerd en daar kwamen vele zienswijzen op en ook de gemeenteraad kwam met moties in kader van wensen en bedenkingen. Nu ligt er een Omgevingsvisie met als titel 'Zin in 's-Hertogenbosch' en die zal op 9 september in gemeenteraad worden besproken.
Een visie gaat om het stellen van doelen en men vond er vier:
• groots vergroenen;
• bouwen aan generaties;
• welvarend welzijn;
• vorstelijk verbinden.
Groen
Veel plannen in een kleine ruimte zullen resulteren in conflicten. Daarom wil men zaken zo compact mogelijk houden en waar mogelijk gebouwen multifunctioneel maken. Een bewoner moet in de nabijheid die zaken vinden die het meest noodzakelijk zijn en passen binnen een scheiding van wonen, werken en voorzieningen. Compactheid is ook noodzakelijk om de (bestaande) natuur ruimte te geven. Die natuur is niet alleen nodig vanwege de biodiversiteit, maar kan ook helpen bij het opslaan van overvloedig water. Een probleem dat wel om meer aandacht vraagt, want de afgelopen decennia is daar onvoldoende rekening mee gehouden. Een wijk als Maaspoort ligt in laaggelegen gebied, wat niet handig is met een rivier als Maas naast de deur. Dit vraagt om technische oplossingen. Overigens moet er niet alleen ruimte zijn voor natuur, ook voor landbouw.
Omdat niet alles overal kan, zijn er al voor meerdere buurten en wijken zogenaamde gebiedspaspoorten opgesteld. Deze geven een beschrijving van het gebied en de (gewenste) (on)mogelijkheden. Men kan dan bedenken dat men een sportpark niet wil in zetten voor een waterberging. Anderzijds zijn er ook algemene regels, bijvoorbeeld op het gebied van vergroening. De zogenaamde 3-30-300 regel schrijft voor dat vanuit elke woning 3 bomen zichtbaar moeten zijn. Er 30% aan schaduwrijk gebied is binnen 300 meter een parkje van minimaal 5000 m2. De klassieke regel is dat per woning er in de stad 75 m2 groen beschikbaar moet zijn. Op dit moment voldoet Den Bosch aan die regel.
Wonen
De woningen in de stad sluiten steeds minder aan bij de woonwensen van de inwoners. Daarbij veranderen die woonwensen ook sneller dan dat er gebouwd kan worden. Het gaat niet alleen om het bouwen van woningen, maar om voorzieningen zoals een winkel of een sport/recreatiegelegenheid. Een andere probleem is dat mensen die lang op een plek wonen een sociale verbinding hebben en liever niet uit een buurt of wijk vertrekken. Het bouwen van woningen binnen een buurt die past bij een aangepaste woonwens, is vaak niet mogelijk. Op dit moment is het streven om jaarlijks 1000 nieuwe woningen te realiseren, maar dat is een moeizaam proces. Daarom moet er ook gekeken worden naar de verdeling van woonruimte. In Maaspoort nam het aantal inwoners in 10 jaar met 1200 af, maar verdubbelde het aantal ouderen van 10 naar 20%. Er is wel woonruimte, maar er woont niemand. Herverdelen van de beschikbare woonruimte is een deel van de oplossing.
Door de verwachte groei naar 200.000 inwoners in 2050 (nu 165.000) vraagt ook continue nieuwbouw. In de Brede Binnenstad zal dat vooral in hoogbouw worden gerealiseerd, maar ook de meer landelijke gebieden zoals bij Nuland bieden nog volop ruimte. Het bouwen van woningen alleen is niet voldoende, want er zijn ook faciliteiten nodig als men wil voldoen aan 'nabij, compact en meervoudig'. Dat vraagt om het differentiëren van de woningen en de inrichting van de openbare ruimte. Op dit moment zijn de plannen voor verdichting al in uitvoering (EKP) of komen de komende jaren tot uitvoer (Stadsdelta, Station Oost en Orthen). Een verdere uitbreiding in Oost (Brede Binnenstad plus) is niet uitgesloten.
Welvaart en welzijn
Al decennia vormt welvaart een basis voor ons welzijn (geld maakt gelukkig), maar daarin is een verschuiving zichtbaar. Werk is vaak de belangrijkste bron van inkomen, maar de werkplek is niet langer alleen nog een plek voor productiviteit, er is een wens voor meer welzijn op die plek (denk aan ontspanning, restaurants en dergelijke). Maar ook buiten het werk is de manier van (samen)leven aan het veranderen. Bezit (welvaart) is niet langer een alleenstaande drijfveer. Ook zaken als gezondheid, sociale relaties, ontplooiing, gelijke kansen, belevenissen, geluk en zingeving spelen een belangrijkere rol. Denkend aan het milieu kijken we ook steeds meer naar circulariteit.
Dit vraagt ook om aanpassing van de omgeving. Industrieterreinen zijn niet ingericht op een recreatievraag en woonwijken niet op de veranderende welzijnsvraag. Het is zelfs de vraag of werk en wonen wel strikt gescheiden moeten zijn. Mensen maken de omgeving, maar de omgeving ook de mensen. Een buurt die vergrijst kan een probleem vormen voor een basisschool omdat er minder kinderen zijn. Maar een buurt waar steeds meer mensen op individuele wijze gaat sporten, vraagt om meer individuele ruimte om te sporten (maar anderzijds zou zo'n ruimte mensen ook tot sporten kunnen aanzetten).
Als naar de faciliteiten in de stad wordt gekeken, dan zijn die vaker gericht op senioren dan op jongeren. Het risico is dan dat jongeren naar steden gaan waar wel meer faciliteiten voor jongeren zijn. Bij de inrichting van de omgeving, hoe schaars ook, moet hiermee rekening worden gehouden.
Den Bosch is een stad waar midden- en kleinbedrijf (MKB) een belangrijke positie inneemt. Ook scoort de stad goed op het gebied van vrijwilligerswerk en is er behoorlijke sociale cohesie en verenigingsleven. Dit biedt een goede basis voor de uitbouw van het welzijn en welvaart. Toch zal die anders zijn in een dichtbebouwde stad dan in de meer ruimtelijke buitengebieden. Bijvoorbeeld in de buitengebieden komt meer agrarische bedrijfsvoering voor en dat zorgt voor andere interactie tussen bewoners.
Toch kan niet alles overal. Zo zorgde een asfaltcentrale een paar geleden voor overlast in omliggende buurten (milieueffect), maar je kan ook geen recreatiegebied inrichten op een akker. Anderzijds krijgen agrariërs wel te maken met allerlei regelgeving, wat aangeeft dat welvaart/welzijn ook afhangt van regels. Het op de juiste manier inzetten van meervoudig gebruik van ruimte vraagt om een juiste balans. Dat kan variëren van een bedrijf aan huis tot meervoudig gebruik van gebieden als natuur, cultuur en recreatie.
Kansen en belemmeringen
De openbare ruimte biedt een kans om te ontmoeten, net zo goed als een (sport)vereniging dat doet. Ruimte voor ontmoeten zal er dus moeten zijn, maar verdichting betekent ook dat dit onder druk kan komen te staan. Maar ook dat niet elke woning meer een plek heeft voor een auto. Dan is een vraag naar hoogwaardig openbaar vervoer een vraag die op tafel ligt, maar ook om ruimte vraagt. Dat geldt ook voor fietspaden met een snelle doorstroom.
Groei van het aantal inwoners legt ook meer druk op voorzieningen, denk bijvoorbeeld aan drinkwater. Maar ook hoe worden huizen verwarmd en moet men een manier vinden waarop men om kan gaan met netcongestie. De trein zorgt ook voor belemmeringen. Een station is een plek om te ontmoeten, maar het station slibt wel steeds meer dicht en nu al wordt nagedacht over een groter station.
Voor duurzame energie wordt ingezet op de duurzame polder (windenergie) en enkele zonnevelden. Die keuze is noodzakelijk omdat als een gebied als natuur wordt aangewezen (zoals Het Bossche Broek, Gement, Moerputten) het plaatsen van windmolens/zonnepanelen dan uitgesloten is. Soms is de vraag niet of iets kan, maar is het meer een zaak dat iets moet.
Brede Binnenstad
Den Bosch is gegroeid vanuit wat nu de Binnenstad wordt genoemd. In zuidelijke richting begrenst door Het Bossche Broek en verder De Gement en Moerputten. In noordelijke richting vormen de Ertveldplas en Diezemonding/Henriëttewaard natuurlijke grenzen. Inbreiding in de Binnenstad vindt nog plaats op het Gasthuiskwartier en Bloemenkamp, maar het grootste potentieel ligt in het gebied langs het spoor, de Spoorzone. Dit gebied vormt nu samen met de Binnenstad de Brede Binnenstad en zal richting de toekomst zorgen dat er bijna twee keer zoveel mensen wonen als nu in de Binnenstad. Niet alleen wonen moet in dit gebied een plek krijgen, maar ook werk zoals het Innovatiekwartier. Onderwijs is al aanwezig in dit gebied.
Meer inwoners vraagt ook om meer verbindingen voor mobiliteit zoals het uitbreiden van het station, meer fietspaden en HOV. Ook voor het water moet ruimte zijn. De huidige groenwaarden moeten worden gekoesterd. Daarnaast is de Binnenstad ook een culturele hotspot en een belangrijke toeristische trekpleister. Voor al die functies moet ruimte worden gemaakt en dat vraagt om een fijnmazige afstemming.
Economisch doet de Binnenstad het goed en ook qua gezondheid scoort dit gedeelte van de stad goed. Vaak beter dan andere stadsdelen.
Stedelijke buurten
Rondom de Brede Binnenstad liggen buurten en wijken waar het economisch en sociaal minder goed is gesteld dan in de Brede Binnenstad. Deze buurten en wijken zijn na de oorlog gebouwd vooral met de functie wonen. De structuur hiervan, bijvoorbeeld veel ruimte voor de auto, is niet toekomstbestendig. Dat geldt ook voor het type woning, vaak gezinswoningen. Het transformeren van deze buurten en wijken kost tijd en een gedegen planning. Ook hier moeten meer woningen komen, maar ook moeten de voorzieningen op diverse plekken worden verbeterd. Om te werken aan klimaatadaptatie zal de veel versteende ruimte ook moeten vergroenen. Door een juiste aanpak kan er ook gewerkt worden aan verbetering van de sociale en economische structuur. Door de verschillen tussen de buurten vraagt het wel om maatwerk waarbij het experiment niet vermeden moet worden.
Buitenringse gebieden
De gebieden ten oosten van de A2 (Rosmalen, Groote Wielen) en ten noorden van de A59 (Maaspoort en Empel) zijn de afgelopen tientallen jaren fors veranderd. Dit is gedeeltelijk ten koste gegaan van landelijk gebied. Niet al het groen is verdwenen, maar er moet naar de toekomst toe aandacht zijn dat groen ruimte krijgt. Het Kanaalpark is hier een voorbeeld hiervan.
Empel (1971) en Rosmalen (1996) waren zelfstandige gemeenten totdat ze bij Den Bosch kwamen. Dit maakt ook dat deze wijken een eigen identiteit hebben. De Groote Wielen (sinds circa 2005) en Maaspoort (sinds jaren 80) zijn de afgelopen decennia uitbreidingswijken geworden en hebben ook een eigen identiteit. Deze verschillende identiteiten vragen ook om een verschillende aanpak. Maaspoort is al aan het vergrijzen en zorgt er ook voor dat de aanpassingen naar de toekomst niet meer passend zijn. De Groote Wielen (nu ruim 10.000 inwoners) is nu nog een jonge wijk waar nog steeds gebouwd wordt, maar ook hier bestaat de kans op vergrijzing. Nu al is het een uitdaging om de wijk te ontsluiten nu de plannen voor verbreding van de A2 in de koelkast staan. Het dorpse karakter van Rosmalen en Empel kan in de toekomst ook veranderen en dan moet daar ruimtelijk op worden ingespeeld. Maar ook de voorzieningen die er (niet) zijn spelen een rol.
In 2015 kwamen Vinkel en Nuland bij Den Bosch. Daarmee kreeg de stad niet alleen twee dorpen, maar er ook een stuk landelijke omgeving bij. Daarvan was tot dan toe alleen sprake bij Engelen, Bokhoven en het dijklint bij Empel. Een deel van dit gebied is agrarisch, maar de diversiteit ervan is beperkt. Dit biedt wel kansen naar de toekomst om dit aan te passen. Een ander deel vormt een gebied met dekzand waar wel variatie is. Dit biedt kansen voor recreatie en wateropslag. Een derde vorm van landschap dat hier voorkomt is het polderlandschap. Veelal is dit nu agrarisch. De Rosmalense polder is nu in beeld voor het plaatsen van windmolens.
Het bouwen van woningen in het landelijk gebied is niet direct logisch, tenzij het aansluit bij de bestaande bebouwing. Daar is immers al een infrastructuur die in onbebouwde gebieden vaak ontbreekt. Het kan wel zoals bijvoorbeeld De Haverleij tussen Engelen en Bokhoven.
Inpassen in beleid
Een visie op de inrichting van een gebied moet nog wel worden ingepast in het beleid. Dat wil zeggen dat als de gemeente iets in dit gebied wil wijzigen er een toets wordt gedaan op wat er in de omgevingsvisie staat. Daarbij geldt dat er gemotiveerd afgeweken kan worden van de omgevingsvisie. Daar spelen allerlei facetten men. Zo heeft een provincie en het Rijk ook een vorm van een omgevingsvisie, maar ook kosten, regelgeving, afspraken uit het verleden en eigendomsrecht van gronden kunnen een rol spelen.
Bij veel projecten moet een zogenaamde Milieu Effect Rapportage (MER) worden opgesteld. Bij de omgevingsvisie is een Omgevings Effect Rapportage opgesteld. Hierin zijn zaken zoals wonen, werken, klimaat, bereikbaarheid, natuurlijke leefomgeving, gezondheid en sociale aspecten meegenomen. Hierbij is eerst de bestaande situatie in beeld gebracht en vervolgens is gekeken welke impact de ambities hierop hebben en hoe dit (stedelijk) ingepast moet worden. Dit kan tot gevolg hebben dat bestaande situaties ingeruild moeten worden voor andere functies.
De omgevingsvisie is niet in beton gegoten en kan, als daar een maatschappelijke of praktische reden voor is, worden aangepast. Toch kan het zijn dat als de omgevingsvisie wordt vastgesteld, dit op gespannen voet staat met eerdere toezeggingen of vergunningsaanvragen. Dit komt omdat aanvragen gedaan voor 1 januari 2024 nog vallen onder de oude Omgevingswet. Hoewel de omgevingsvisie geen bindend document is, kan dit wel tot verwarring leiden en mogelijk tot juridische conflicten omdat voor burgers niet duidelijk is welk kader ze moeten volgen.